Het Sprookjesbosch (1)
door Léon Somers
“Pardon” had Charles Le Cró zich amicaal uitgelaten voor een gesprekje met het op een elfje lijkende schoonheid die ook had door kunnen gaan voor een verleidelijke zeemeermin die in haar voortuintje met liefde de rozen stond te snoeien.
De ochtend was voor Charles desastreus verlopen na weer een oplaaiend meningsverschil over de taken in het huishouden. Zijn vrouw, Eva Le Cró - de Kort, die hem opnieuw de deur gewezen had en nu vriendelijk doch dringend verzocht niet meer huiswaarts te keren, tenzij hij genegen was zich te gaan houden aan de taakverdeling die aardig in zijn nadeel was in zijn ogen.
‘U wilde mij iets vragen meneer,’ klonk het betoverend. De jonge vrouw, slechts gekleed in een wit kort doorschijnend jurkje, zonder lijfgoed, op blote elegante voetjes, ging rechtop staan, gooide de snoeischaar in één worp in het mosgroene gras, en wachtte, met een verleidelijke blik op de respons van Charles Le Cró. Brutaal, behalve tegen zijn echtgenote, had Charles, die de Eindhovense wijk “Het Sprookjesbosch” was ingelopen, zonder blikken of blozen naar haar leeftijd geïnformeerd.
‘This is a riddle,’ zong het naar buiten over haar mooie natuurlijke volle zacht getinte roze lippen, die geen enkel spoortje van lippenstick vertoonde, zoals haar prachtige gezicht dat geen make-up nodig had om aanschouwd te worden.
‘Vertel,’ reageerde Charles opgewonden die in zijn spaarzame vrije tijd stiekem probeerde knotsgekke raadseltjes voor kinderen op te lossen.
‘Sluit je ogen en luister goed.’ Even twijfelde Charles Le Cró om midden op straat voor zomaar een wild vreemde zijn ogen te sluiten. Maar zijn van binnen brandende verlangen om achter de leeftijd van deze goddelijke verschijning te komen dwong om zijn ogen te sluiten.
‘Het hoeveelste huis is dit vanaf rechts gezien in deze straat.’
Charles opende zijn ogen voor een antwoordt maar deinsde verschrikt achteruit en keek recht in het gezicht van een norse vrouw, gekleed in een teerzwarte jurk, roetzwarte vette lange haren, die woest wapperend onder een inktzwarte puntmuts uitstaken. Pikzwarte ogen, een forse neus waar de donkere haartjes naar buiten krulden, zwarte hanglippen en sterk overeenkomsten vertoonde met zijn vrouw. Dreigend hield ze een riek in haar knuisten.
Wat mot je vent had ze gebruld tegen hem toen ze de mestvork in de grond plantte en op haar zwarte leren laarzen, door het onkruid, provocerend een stap naar voren deed. Direct sloot Charles Le Cró uit angst zijn ogen weer en riep in verwarring vijf.
‘Goed zo,’ hoorde Charles een vrolijke melodie zijn oren binnen komen en opende voorzichtig weer zijn ogen. Hij zag het elfje, met een beminnelijke lach voor hem staan. De snoeisnaar had ze inmiddels weer ter hand genomen om een knalrood roosje af te knippen die ze charmant tussen haar roze lippen plaatste en omklemde met haar sneeuwwitte tanden. Ze bracht haar hoofdje bekoorlijk naar voren en nodigde op deze manier uit om het roosje aan te pakken. Charles greep met zijn handen begeerlijk naar het roosje maar prikte één van zijn hebberige vingers aan een doorn van het takje en het roosje viel, de paar groene blaadjes aan het takje klapte even als vleugeltjes in de lucht, op de grond. Beschaamd, de kleur van het roosje op zijn wangen, boog hij zich behoedzaam voorover om zich niet weer te prikken en het op te rapen. Hij ging rechtop staan, zijn hoofd nog hangend voorover en keek naar zijn handen waar een brandend gevoel woedde en zag dat hij een brandnetel vasthield.
‘Ben je hier nou nog, verdomme. Rot op man.’ Een weeïge geur van bedorven vis verspreidde zich over Charles heen en hij knipperde met zijn ogen en zag de boze heks en dan weer het elfje verschijnen. Van ontreddering wilde Charles Le Cró het op een lopen zetten maar een plotselinge zoete stem nagelde hem vast aan de stoeptegels.
‘Je hebt je geprikt,’ voosde het elfje, die uit het tuintje was gestapt en zijn bloedende vinger in haar begeerlijk mondje stopte en er verlokkend aan zoog. Charles kreeg het gevoel alsof hij over een rozenbed zweefde, sloot zijn ogen en genoot intens.
Het raadsel gaat verder had het elfje in zijn oor gelispeld en Charles landde in het rozenbed, ontwaakte uit de fijne droom en voelde hoe het elfje tegen hem aan wreef.
‘Op welk nummer woon ik en sluit je ogen weer.’
Ditmaal hield Charles Le Cró wijselijk zijn mond en zijn ogen stijfdicht bij het horen van de suikerzoete woordjes toen hij de oplossing van het vervolg van het raadsel dacht te weten.
‘Oprotten had ik toch gezegd.’ Charles voelde de ijzige punten van de mestvork prikken in zijn kin. Alsof hij onder schot gehouden werd, stak hij trillend zijn armen in de lucht en riep, met wijd open gesperde ogen hysterisch dertien.
Een sereen gezang zette in en Charles knipperde een paar keer met zijn ogen en zag hoe het elfje, zingend, uit een bakje dat ze in haar handen droeg, een pad van rozenblaadjes aan het creëren was.
‘Doe je schoenen en sokken uit en voel de zachtheid van de blaadjes,’ nodigde het elfje beminnenswaardig uit. Charles Le Cro ging op de stoep zitten, trok aan de veters van zijn gymschoenen, deed deze uit, rolde de sokken van zijn voeten en stopte deze in de schoenen, klaar om met zijn blote voeten, samen met het elfje, hand in hand van de blaadjes te proeven.
Maar de kans om deze geneugte te verwezenlijken was Charles helaas niet gegund vandaag. Als een magere Hein stond de zwarte feeks weer tussen zijn benen. Hij voelde de ijzeren punten van de laarzen, de mestvork hing dreigend boven zijn hoofd en kon ieder moment neerdalen op zijn kruin om zijn levensadem te ontnemen. Charles verborg zijn hoofd in zijn armen en begon zachtjes te huilen.
‘Je bent er bijna. Waarom huil je dan,’ klonk het vleiend.
Het elfje duwde zij armen opzij en keek hem vol liefde aan met haar felle groene ogen.
‘Ik geef je een bonus. De maand en de dag heb je. Nu het jaartal nog en denk goed na voor dat je mij de oplossing geeft. Er zit een addertje onder het gras. Anders blijf je de rest van je leven geketend.’
Wat bedoelde het elfje hiermee. Haar stem had nu zwaarder, vol en donker geklonken, als een bariton. Alsof het elfje haar doorschijnend jurkje uit gedaan had en Mefistofeles als een duivelse verschijning nu voor hem stond.
‘Space Odyssey min één of niet,’ galmde het onheilspellend uit het kleine elfen keeltje door Sprookjesbosch en de ramen trilde in hun sponningen. Deze keer verzweeg het elfje om te vragen de ogen te sluiten, doch Charles was het zo gewend nu dat hij automatisch zijn oogleden naar beneden liet vallen. Hij dacht diep na. Space Odyssey was een film en had een jaartal in de titel: 2001
wordt vervolgd
Blauwe plekken
Was het een uitgelezen krant, die hij, opgerold in zijn opgezwollen handen vasthield of een goedkope fles wijn. Ik naderde de auto om een beter beeld te krijgen van wat de bestuurder krampachtig vasthield, maar ik werd afgeleid door de erbarmelijke staat waar de auto, een Ford Mustang in verkeerde en het geroezemoes dat opsteeg van de achterbank dat iets weg had van een onhandelbare schoolklas. De man, een overblijfsel van een fascistisch bewind, maakte geen aanstalten om het gebeuren achter hem het zwijgen op te leggen met harde hand. Hij had een kale kop, kleine oortjes, doorlopende wenkbrauwen en een platgeslagen vochtige neus. Een baard van drie dagen aangelegd, bloedeloze ogen, een magere glimlach, die zijn gelige tanden weghield en een weelderige haargroei bij zijn oren, waardoor het geluid op de achterbank dempte. Hij droeg een versleten uniform met een verboden embleem op de linkermouw. Aan de voeten afgeleefde rijlaarzen die hunkerde naar schoensmeer. Uit de auto stapte een vrouw waar ik de leeftijd moeilijk van kon inschatten. Het gezicht was met menselijk geduld zwaar opgemaakt en gaf de indruk dat er een camouflagenet overheen lag. Het smoezelige haar, zilvergrijs, werd bijeengehouden door een bataljon van haarkammetjes. In haar oorlellen hingen goedkope kogelvormige oorbellen van massief zilver, bezig te oxideren, die ze na een intensieve zoektocht gevonden had op een rommelmarkt. Ze had een lichaam waar het overgewicht in heerste, behaarde zeemansarmen omhult in een ruim hangend zwart shirt tot aan haar knieën. De enorme borsten, kapot gezogen door haar kroost en gevangen in een knellende beha, snakte naar de vrijheid en haar buik, onder de blauwe plekken, krulde gewond over de rand van haar broek die ooit helder wit in de winkel had gelegen. Haar voeten zaten gevangen in afgetrapte sandalen en de gele teennagels, waar het vuil de overhand had, waren duidelijk zichtbaar. Ik raakte in het bijzonder gefascineerd door de blauwe plekken en vroeg mij in stille nieuwsgierigheid af hoe ze daar was aangekomen. Was ze mishandeld door haar echtgenoot. Afgetuigd, uit frustratie, omdat hij, nu de fascisten waren verdreven geen mensen meer kon martelen. Een andere mogelijke oorzaak kon zijn, gezien de vele kinderen die ze geworpen had dat haar man, bij de zoveelste keer om haar te bevruchten van opwinding hard in haar buik had geknepen. De plaats van coitus a tergo zou ook een rol hierin hebben kunnen spelen. Terwijl de vrouw de afwas aan het doen was, de man tegen haar op stond te rijen, drukte de vetranden pijnlijk tegen het aanrechtblok en trok de kroost hongerig aan haar rok. Vanuit de auto klonk een hard geschreeuw en aan de zwaarte van de stem kon je horen dat het niet uit de keel van een kind kwam. De man had het raampje van het autoportier aan de bijrijderskant geopend, stak zijn verweerde hoofd naar buiten en riep op dreigende toon dat ze op moest schieten want hij had dorst en zijn mond was nog droger dan de Nevada woestijn. En toen zag ik het: hij was een stuk kleiner dan de vrouw
Met aangrenzende zekerheid wist ik nu dat hij in het bezit was van een krukje. Z’n plastic keukentrapje dat je gebruikt om spullen uit een kast te pakken waar je net niet bij kan. Waarschijnlijk nam hij dat ook mee als hij ging vissen om weg te zijn van zijn vrouw en kinderen om langs de waterkant te mijmeren over vroeger in afwachting tot het ondergaan van de dobber. De vrouw blèrde iets onverstaanbaars terug, trapte gericht tegen het portier van de auto, dat al meerdere deuken bezat, draaide haar lichaam en begon zich provocerend en langzaam uit het zicht van mij, haar man, haar kroost en de auto te begeven, in de wetenschap dat ze hoe dan ook blauwe plekken erbij ging krijgen. De man, behoorlijk opgefokt, had zich terug achter het autostuur gedwongen, balde zijn vuisten en sloeg al zijn woede op het dashboard. Vervolgens haalde hij een pakje sigaretten tevoorschijn uit het opgestikte klepzakje van zijn blouse, die openhing tot aan zijn navel, verscholen achter een pluk dik stug haar en tikte er een sigaret uit. Stak deze aan en opende het autoraampje aan zijn kant. Jarenlang had hij mensen uitbundig gemarteld en toen de fascisten het eigen volk niet langer in bedwang kon houden, verloor hij, bedroefd, zijn droombaan. Hij werd opgepakt, voor het volkstribunaal gebracht, schuldig bevonden aan martelpraktijken en verkrachting en veroordeeld tot dwangarbeid in een overgebleven strafkamp. Echter door een onvoorziene procedurefout kwam hij op vrije voeten, besloot het land te ontvluchten met vrouw en kinderen naar een oord waar men geen vervelende vragen stelden en zette zijn geliefde werk voort, zij het in besloten kring.
© 2021 Léon Somers.