Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

Pech

'Mooi boek.’

Ze had volle sensuele lippen. Je kon zien dat ze zich hield aan de tien do and dont’s voor lippen om ze aantrekkelijk te houden. Het donkerbruine haar krulde aanstekelijk op haar ranke schouders.

‘Zijn laatste roman heb ik met plezier gelezen.’ Haar groene ogen glinsterde bij het aanprijzen van het boek. Het koltruitje, dat om haar hing, vaag geel, verraadde dat ze geen beha droeg.

‘Ik heb het nog niet gelezen,’ respondeerde ik dromerige met halfgesloten ogen. Het was een wegwerp antwoordt, terwijl ik mij erop betrapte dat ik haar aan het bezichtigen was en haar een naam gaf: Charlotte.

Bij toeval was ik de boekwinkel binnengelopen. Niet om een boek te kopen, want mijn slaapkamer lag nog vol met ongelezen boeken.

'Nou dan is zijn laatste boek zeker een aanrader.’ Dat “laatste” klonk alsof ze de indruk wilde geven dat hij gestopt was met schrijven. Ze stond tegenover mij met tussen ons in een tafel vol boeken.

‘Ik was niet van plan om een boek te kopen.’

'Wat doe je dan in een boekwinkel?’ vroeg ze lacherig. Ze trok uitdagend haar koltruitje wat strakker en ik zag een gebleekt spijkerrokje. Ik rook parfum en yoghurt met muesli.

'Dus je leest niet?’ Ze droeg glamory zelfophoudende kousen, waarvan het katoenen randje zichtbaar was. Zo kort was het rokje dat ze aan had. Haar voeten zaten verpakt in knalrode pumps.

‘Of ben je schrijver. Ja je bent schrijver!!!!’ Van opwinding leek ze te gaan springen om een orgasme op te wekken.

‘Wat schrijf je,’ schreeuwde ze geil door de winkel.

‘Boodschappenlijstjes.’ Meteen stond ze stil en keek mij met een meewarige blik aan alsof er te vroeg geëjaculeerd was. Twijfelde ze om te gaan lachen of had ze spijt van het gesprek dat ze met mij was aangegaan en wilde ze zo snel mogelijk aan mij ontsnappen. Ze maakte echter geen aanstalten om te vluchten. Onhandig bewoog ik mij in haar richting. Moest ik nu open kaart gaan spelen of bescheiden blijven om de kans te krijgen bloot te leggen wat zich schuilhield onder dat jaren zeventig truitje als ze niet de benen zou nemen. Door het geschuifel stonden we plots dicht tegen elkaar aan. Ik rook nu een fruitige geur van ananas, bergamot en zwarte bes. Ze drukte haar lippen tegen mijn linker oorschelp aan.

‘Ik heb het nog nooit gedaan met een schrijver,’ sijpelde zachtjes haar verlangen bij mij naar binnen en ik voelde nattigheid en een onbeschrijfelijke rilling door mijn lijf gaan. Moest ik nu mijn arm om haar heup leggen of gebruiken om haar van mij af te wenden. Ik wachtte geduldig tot ze klaar was met het bevredigen van mijn oor en liet ondertussen mijn handen zweven boven de tafel met boeken.

‘Hoe om te gaan met ongemakkelijke situaties,’ las ik de titel van een dik boek. Was dit ongewenst? Een jonge vrouw die in een boekwinkel je oor staat te beffen. Haar tong drong dieper in mijn gehoororgaan. Het voelde of mijn oor aan het verdrinken was en om een reddingsboei vroeg.

‘Kan ik u misschien helpen bij het maken van een keuze?’ Ik draaide mijn hoofd om, haar tong glipte uit mijn naar adem happende oor en ik keek recht in de ogen van de boekverkoper. Vond hij het te obsceen worden en besloot hij daarom tot in grijpen.

‘Nee, dank je,’ reageerde ik geprikkeld en draaide mijn hoofd terug om excuses te maken aan de jonge vrouw voor de onbeschofte onderbreking, maar ze was nergens meer te bekennen. Spoorloos. Geen koltruitje meer te zien. Ze was van de aardbodem verdwenen. Was het een inbeelding geweest? Een stil verlangen? Ik doorzocht de winkel en zonder mij ervan bewust te zijn stond ik ineens bij de kassa en pakte de boekverkoper het boek - Hoe om te gaan met ongemakkelijke situaties - uit mijn handen.

 ‘U keuze kunnen maken zie ik.’

 ‘Ja,’ gaf ik onverschillig toe.

 ‘Is het een cadeau of voor u zelf?’ vroeg hij vriendelijk.

 ‘Cadeau,’ trachtte ik de verkoper te misleiden. Op datzelfde moment piepte mijn mobiele telefoon. Ik haalde het tevoorschijn en las het berichtje:

 Komend weekend zijn de kinderen bij jou. Denk daaraan.

 

 ©  Léon Somers.

 

 

Abigaïl–12 februari 2017 

Levi draaide zich op zijn goede zij, keek even naar zijn wijsvinger en rook de muffe geur in de slaapkamer die ongevraagd zijn opengesperde neusgaten binnendrong, en verdween met zijn hoofd onder de dekens en sloot stijf de vermoeide ogen. Hij dacht terug aan Abigaïl, een week geleden, toen hij haar voor het laatst gezien had in de huiskamer van haar ouderlijk huis, gezeten op een verlopen klapstoel, onder een enorm afzichtelijk kruis dat onhandig aan de afgebladderde muur zat bevestigd. Ze had drie dagen onafgebroken zitten huilen. Haar mond was gortdroog en de vele tranen die over haar bleke wangen op de eiken houtenvloer waren gemorst, ooit met haar zussen vol valse passie had blank geschuurd, hadden uitgebleekte kringetjes achtergelaten.

 ‘Gaat het,’ vroeg Levi, een schutterige onverzorgde man van middelbare leeftijd, broodmager, een teruggetrokken bestaan leefde en heimelijk liefdesgevoelens voor Abigaïl koesterde, die nerveus op de verkleurde klapstoel zat, het linkerbeen gespannen over haar rechterbeen, midden in de woonkamer in een smetteloze witte jurk die tot aan haar enkels viel, onder een dreigende crucifix, zich loswringend uit de muur en ieder moment naar beneden kon donderen. Ze zweeg, bracht haar uitgejankte gezicht omhoog, deed haar arm naar voren, volgepropt met bloederige zweep striemen en met een trillende wijsvinger, waar zichtbaar was hoe ze de nagel had stuk gebeten, wees ze in de richting van de keuken. Levi liet zijn slungelige lichaam langzaam in beweging komen, bleef enige tijd in de keuken stilstaan en nam de omgeving, waar oude baklucht en verleden nog ronddwaalde aandachtig in zich op. De keuken was in zijn geheel leeg op een oude robuuste houten tafel na, waar de velen ochtend en avondgebeden hun sporen in het tafelblad hadden achtergelaten. Ontgoocheld vroeg Levi zich af waarom hij naar de keuken was gestuurd. Nu ook haar moeder was overleden stond hem niets meer in de weg om zijn verboden vrucht vol hartstocht te beminnen. Het was hem verboden geweest om in de buurt te komen van Abigaïl. Haar vader, streng gelovig, rook hem al van ver en sloot Abigaïl, net als haar zussen op, om te voorkomen dat Levi, een volkse ongelovige man in haar blikveld kwam, laat staan dat hij Abigaïl zou aanraken. Naar school gingen Abigaïl en haar zussen niet. Ze werden thuis in afzondering streng en hard in de leer opgevoed om onbevlekte maagden van god te worden. Een enkele keer zag Levi Abigaïl heel vluchtig, als hij, op zijn hoede voor haar godvrezende vader door de straat liep waar ze woonden. Als Abigaïl of haar zussen het pad van ongehoorzaamheid hadden bewandeld dan moesten ze gekleed in een lange witte jurk voor straf op hun blote knieën zitten, het hoofd omhoog, de rug recht, vier uur aaneengesloten in de gang met het gezicht naar de voordeur gericht. Deze werd wagenwijd opengezet, zodat iedereen kon zien dat ze afgedwaald waren van het pad waar ze met harde hand opgestuurd waren. Medelijden had de vader niet. Weer of geen weer de straf werd gewoon voltrokken. En nu haar verwekker en de vrouw die haar geworpen heeft overleden zijn, ze verlost is van het onmenselijke regime dat ze jarenlang had moeten ondergaan om als maagd toegelaten te worden tot god, stond niets Levi meer in de weg om zijn verboden vrucht in de armen te sluiten en er van te proeven, stuurde zij hem, berustend in haar lotsbestemming, naar de keuken.  ‘Verder,’ jankte de stem van Abigaïl, alsof haar droevige ogen hem dwingend de weg wezen om haar lot te bezegelen. Vertwijfeld liep Levi de garage in, niet Abigaïl, dwaalde het als een angstige kronkel door zijn hoofd. ‘Laat hem niet wachten,’ klonk de glazige stem van Abigaïl door het van leven verlaten huis. Levi keek machteloos naar het verroeste aanrecht dat vol stond met weckpotten. Hij pakte één van de potten en las het vergeelde etiket: peren mei 1975. Abigaïl was toen vijftien jaar oud.

Levi liet zich door zijn knieën zakken, opende het deurtje onder de aanrecht en haalde zes weckpotten te voorschijn die verscholen tussen de andere potten met ingeweckt fruit stonden. ‘Schiet op. Ik wil naar hem toe en mijzelf aan hem geven,’ schreeuwde Abigaïl. Haar stem klonk niet meer droevig, maar hard, veeleisend en tegelijkertijd verlangend, alsof ze al jaren op deze gebeurtenis had zitten wachten. Levi schoof de potten die op het aanrecht stonden aan de kant, plaatste de potten die hij, zonder nadenken in één keer te voorschijn had gehaald, gevuld met troebel water en waar wijsvingers in dreven, op het doorgezakte aanrechtblad, bezaaid met vastgekoekte bloedvlekken en las één voor één de etiketten: Mattanja-12 maart 1980, Zippora-11 december 2010, Sarona-6 mei 1992, Talitha-27 september 2003, Elisabeth-7 mei 1982 en Jedidja-30 mei 1999.

Het waren de namen van de zes zussen van Abigaïl, die, zo deed het verhaal fluisterend de ronde, allemaal het ouderlijke huis waren ontvlucht naar het buitenland om te ontkomen aan het strenge barbaarse bewind van hun vader, ondersteund door zijn vrouw, hun moeder, die zich volledig aan hem had onderworpen.

‘Levi!!!’ Zijn naam werd geroepen, hard en droog. Toen Levi terug de woonkamer in trok, een somber voorgevoel meesleepte, met in zijn linkerhand een roestig ijzerzaagje, zag hij dat Abigaïl was opgestaan en in haar handen een weckpot vasthield. Hij liep op Abigaïl af, keek haar, zijn ogen vol ongeloof, een mengeling van droefenis, verlangen en smart, aan. Onverstoorbaar overhandigde Abigaïl hem de weckpot en knikte instemmend en Levi begreep, voelde tot in zijn lendenen dat er geen weg terug meer had bestaan en Abigaïl, net zoals haar zussen, door hem verlost wilde worden en dat ze in de ban was van dat verlangen, ondanks de dood van haar ouders, want ze was een maagd van God, zoals haar vader haar en haar zussen altijd had voorgehouden met harde hand en liefde en vol overgave, iedere ochtendstond wijzend met zijn wijsvinger naar de crucifix.

 

©  Léon Somers.

Cookie-beleid

Deze site maakt gebruik van cookies om informatie op uw computer op te slaan.

Gaat u akkoord?